Wereldwijd zijn er ongeveer 1 miljard (1.000.000.000) hongerende mensen. Elke seconde sterft op deze planeet een mens van de honger, dat zijn samen zo’n 30 miljoen (30.000.000) mensen per jaar. Dat is elk jaar het dodental van een wereldoorlog.
Zo’n 43.000 kinderen sterven dagelijks van de honger terwijl zo’n 50 % van de wereldwijde graanoogst, en 90% van de wereldwijde soja-oogst voorbehouden worden als voedsel voor de dieren in bio-industrie. Het gebruiken van plantaardig voedsel voor het aanmaken van voor de mens ongezonde dierlijke producten is een absurditeit, een schandaal en een ongelofelijke verspilling: om 1 kg vlees te produceren zijn er, afhankelijk van de diersoort, tot 16 kilogram plantaardig voedsel en 10 tot 20 ton (10.000 – 20.000 liter!) water nodig. Met één kg vlees kunnen 4-5 mensen worden gevoed, terwijl er met 16 kg plantaardig voedsel 64-90 kg kunnen worden gevoed. Indien het plantaardig voedsel dat nu langs de vlees- en zuivelindustrie op ons bord belandt, rechtstreeks zou worden genuttigd, dan zouden de voedseloverschotten enorm zijn. Doordat de prijzen veel lager zouden zijn, zou voedsel ook voor de armen voldoende beschikbaar worden en zou honger een uitstervend begrip zijn.
Vandaag is de situatie pervers: vanuit de derde wereld worden er voedergewassen voor de veeteelt uitgevoerd naar de geïndustrialiseerde landen, hoewel in deze arme landen kinderen en volwassenen verhongeren en sterven van de honger. U kent misschien ook wel de beroemde zin: „De dieren van de rijken eten het brood van de armen“. Zo was er bijvoorbeeld in 1984 wel hongersnood, maar geen voedseltekort in Ethiopië. De landbouw produceerde er voldoende eten. Toch werden de levensmiddelen uitgevoerd naar Europa om ze aan de dieren uit de vlees- en melkindustrie te voeren. Tijdens deze hongercrisis, die aan tienduizenden mensen het leven heeft gekost, werden door Europese landen uit Ethiopië granen geïmporteerd om kippen, varkens en koeien te voeden. Als dat graan zou gebruikt zijn om de mensen in Ethiopië voeden, dan zou er helemaal geen hongersnood geweest zijn.
Een ander voorbeeld. In Guatemala, is 75 % van de kinderen onder de 5 jaar ondervoed. Toch wordt er in dat land elk jaar meer dan 17.000 ton vlees geproduceerd voor export naar de Verenigde Staten. Voor het vetmesten van deze dieren zijn er zeer grote hoeveelheden maïs en sojabonen nodig. Deze zijn dan niet langer beschikbaar voor de ondervoede kinderen. In plaats van de hongerigen van de wereld te voeden, nemen we hun voedsel weg. Daarmee mesten we tot een gruwelijke dood veroordeelde dieren vet om met het vlees van hun verminkte lichamen onze drang naar vlees, eieren en melk te bevredigen. Dit is geen win-win situatie, maar een voorbeeld van een onrecht, waar slechts enkelen winnen, en velen lijden.